Kriegslazarett

In het voorjaar van 1941 wordt het bestuur van het Nieuwe Stads Weeshuis te kennen gegeven dat de Duitsers het gebouw aan het Schoenmakersperk, waarin al sinds 1675 wezen zijn ondergebracht, willen gaan gebruiken. Op dat moment verblijven er zo’n 40 kinderen, samen met de ‘vader’ en ‘moeder’, het echtpaar Oosterloo-Mulder. Het bestuur doet er alles aan om de vordering te voorkomen en schrijft een indringende brief naar Beauftragte Werner Ross, de vertegenwoordiger van de Rijkscommissaris in Friesland: “Wenn diesses Gebäude seiner heutigen Bestimmung entzogen würde, so würde dies ein groszes Unglück für unsere Waisen bezeichnen.” Ross kan niets betekenen en het gebouw moet in juli 1941 worden ontruimd.

Gelukkig biedt de adellijke familie Van Harinxma thoe Slooten de helpende hand. Zij geeft toestemming om de kinderen onder te brengen in de leegstaande “Fogelsangh State” in Veenklooster. Zeker voor de oudere jongens, die werken in Leeuwarden, is de verhuizing bezwaarlijk. Ook de leefomstandigheden in de oude state zijn verre van ideaal. Toch heeft het bestuur geen andere keus dan het genereuze aanbod te accepteren. In juli vertrekken de wezen per bus naar Veenklooster. Het bestuur van het weeshuis laat de bijzondere gebeurtenis op film vastleggen.

Vier oorlogsjaren blijft het Nieuwe Stads Weeshuis in gebruik bij de Duitsers. In het voorjaar van 1942 willen zij er officieren van de Kriegsmarine in huisvesten, maar dat plan gaat niet door. Later wordt

het oude weeshuis gebruikt voor het onderbengen van ‘Blitzmädel’, vrouwelijk personeel van de Luftwaffe dat vooral helpt met het berichtenverkeer op het vliegveld. Aan het einde van de oorlog, als de dames alweer zijn vertrokken, wordt het Nieuwe Stads Weeshuis omgevormd tot ‘Kriegslazarett I’. Het is een van de ziekenhuizen die de Duitsers in de stad openen. Ook het Bonifatiushospitaal, de Prins Frederikkazerne, de Christelijke HBS in de Kanaalstraat en de scholen en manege in de Arendstuin worden voor dat doel gebruikt. Als het Duitse leger het Nieuwe Stads Weeshuis in april 1945 heeft verlaten, verwacht het bestuur dat de kinderen uit Veenklooster er snel weer kunnen terugkeren. Groot is de teleurstelling als het

Militair Gezag het gebouw in juni opeist voor het onderbrengen van kinderen uit NSB-gezinnen. Eind 1945 keren de wezen inderdaad vanuit “Fogelsangh State” terug naar het Schoenmakersperk. Het echtpaar Oosterloo is dan nog niet welkom, omdat de leiding van het tehuis in handen is van Bijzondere Jeugdzorg. De Leeuwarder wezen worden ondergebracht in een weeshuis dat stampvol zit met NSB- kinderen, van wie de ouders zijn geïnterneerd. In de maanden net na de bevrijding zijn dat er zo’n 400; in juni 1946 nog ongeveer 200. Pas aan het einde van 1946 hebben de wezen het pand weer voor zichzelf.